“Frigga Spinning the Clouds” door John Charles Dollman (1909)

Frigg (uitgesproken als “FRIG;” Old Norse Frigg, “Beloved”), soms verengelst als “Frigga”, is de hoogste van de Aesir-godinnen. Ze is de vrouw van Odin, de leider van de goden, en de moeder van Baldur.

Vreemd genoeg voor een godin van haar hoge positie, geven de overgebleven primaire bronnen over de Noorse mythologie slechts spaarzame en terloopse beschrijvingen van alles wat met haar persoonlijkheid, daden of andere attributen te maken heeft. De details die ze bespreken, zijn echter niet uniek voor Frigg, maar worden in plaats daarvan gedeeld door zowel haar als Freya, een godin die tot zowel de Asen als de Vanir-godheden behoort. Uit deze overeenkomsten, gecombineerd met de wederzijdse evolutie van de twee godinnen van de vroegere Germaanse godin Frija, kunnen we opmaken dat Frigg en Freya slechts nominaal verschillende figuren waren in de late Vikingtijd, toen onze bronnen werden opgetekend, en dat deze twee figuren, die was vroeger dezelfde godheid geweest, was nog steeds praktisch hetzelfde personage in alles behalve naam.

Frigg en Freya

Net als Freya wordt Frigg afgebeeld als een völva, een beoefenaar van het Vikingtijdperk van de vorm van Noorse magie die bekend staat als seidr. Seidr omvatte het onderscheiden van de loop van het lot en het werken binnen de structuur om verandering teweeg te brengen, vaak door symbolisch nieuwe gebeurtenissen tot stand te brengen. Deze kracht zou potentieel voor elk denkbaar gebruik kunnen worden aangewend, en voorbeelden die vrijwel het hele bereik van de menselijke conditie bestrijken, zijn te vinden in de Oudnoorse literatuur. In het Oud-Noorse gedicht Lokasenna, nadat Loki Frigg heeft belasterd, waarschuwt Freya hem dat Frigg het lot van alle wezens kent, een indicatie van haar vermogen om seidr uit te voeren. De weefactiviteiten van Frigg zijn waarschijnlijk ook een toespeling op deze rol. Freya bezit valkenpluimen die zij en de andere Aesir gebruiken om van vorm te veranderen in die vogel, en Frigg bezit haar eigen set valkenveren die voor hetzelfde doel worden gebruikt.

In de Vikingtijd was de völva een rondtrekkende zieneres en tovenares die van stad tot stad reisden en seidr in opdracht uitvoerden in ruil voor onderdak, voedsel en vaak ook andere vormen van compensatie. Net als andere Noord-Euraziatische sjamanen was haar sociale status hoogst dubbelzinnig – ze was afwisselend verheven, gevreesd, verlangd, gunstig gezind, gevierd en geminacht.

Tijdens de zogenaamde Völkerwanderung of ‘Migratieperiode’ – ongeveer 400-800 CE, en dus de periode die onmiddellijk voorafging aan het Vikingtijdperk – de figuur die later de völva zou worden, had een veel meer institutioneel noodzakelijke en alom geprezen rol onder de Germaanse stammen. Een van de belangrijkste maatschappelijke instellingen van die periode was de krijgsbende, een strak georganiseerde militaire samenleving die wordt voorgezeten door een hoofdman en zijn vrouw. De vrouw van de leider van de krijgsbende had volgens de Romeinse historicus Tacitus de titel veleda, en haar rol in de krijgsbende was het voorspellen van de uitkomst van een voorgesteld actieplan door middel van waarzeggerij en om die uitkomst te beïnvloeden door middel van actievere magie, evenals om een speciale beker sterke drank te serveren die een krachtig symbool was van zowel tijdelijke als spirituele kracht in de warba nd’s periodieke rituele feesten.

Een literair portret van zo’n vrouw komt naar ons uit het middeleeuwse oud-Engelse epische gedicht Beowulf, dat de daden van koning Hroðgar en zijn krijgsbende vertelt in het land dat we tegenwoordig kennen als Denemarken . De naam van de koningin van Hroðgar, Wealhþeow, is vrijwel zeker het Oud-Engelse equivalent van de Proto-Germaanse titel die Tacitus latiniseerde als ‘veleda’. De ‘huiselijke’ handelingen van Wealhþeow in het gedicht – die, goed begrepen, uitvoeringen zijn van het hierboven beschreven drankritueel – zijn onmisbaar voor het in stand houden van de eenheid van de krijgsbende en zijn machtsstructuren. Het gedicht, ondanks zijn christelijke fineer, “hint naar de orakelkrachten van de koningin … De Hrothgar / Wealhtheow-associatie zoals gepresenteerd in het gedicht is een echo van een eerdere, robuustere en krachtigere politiek-theologische opvatting.”

Dit ‘politiek-theologische opvatting’ was gebaseerd op het mythologische model dat werd verschaft door het goddelijke paar Frija en Woðanaz, godheden die later evolueerden naar respectievelijk Freya / Frigg en Odin. Woðanaz is de leider van de krijgsbende, en Frija is de veleda.

Dus in de migratieperiode was de godin die later Freya (en Frigg) werd de vrouw van de god die later Odin werd. Hoewel enigszins versluierd, is dit uiteindelijk nog steeds het geval in de Oudnoorse literatuur. Freya’s echtgenoot heet Óðr, een naam die vrijwel identiek is aan die van Óðinn (de Oud-Noorse vorm van “Odin”). Óðr betekent “extase, inspiratie, furore.” Óðinn is gewoon het woord óðr met het mannelijke lidwoord (-inn) aan het einde toegevoegd. De twee namen komen van hetzelfde woord en hebben dezelfde betekenis. Óðr is een obscuur en zelden genoemd personage in de Oud-Noorse literatuur.De enige passage die ons iets vertelt over zijn persoonlijkheid of daden – alles behalve alleen het vermelden van zijn naam in verband met Freya – komt uit de Proza Edda, waarin staat dat Óðr vaak weg is voor lange reizen, en dat Freya vaak huilende tranen is. van rood goud over zijn afwezigheid. In veel van de overgebleven verhalen over Odin reist hij heinde en verre door de Negen Werelden, tot het punt dat hij waarschijnlijk vaker weg is van Asgard dan erin. Veel van Odins talrijke achternamen verwijzen naar zijn omzwervingen of zijn namen die hij aannam om zijn identiteit in het buitenland te verhullen. Het is dus moeilijk om Freya’s echtgenoot te zien als iets anders dan een enige in naam onderscheiden verlengstuk van Odin.

Freyja en Frigg worden op dezelfde manier beschuldigd van ontrouw jegens hun (schijnbaar gewone) echtgenoot. Naast de verschillende vermeldingen van Freya’s losse seksuele praktijken kunnen de woorden worden geplaatst van de middeleeuwse Deense historicus Saxo Grammaticus, die vertelt dat Frigg bij minstens één gelegenheid met een slaaf sliep. In Lokasenna en de Ynglinga Saga werd Odin ooit verbannen uit Asgard, waardoor zijn broers Vili en Ve het bevel voerden. Naast het voorzitten van het rijk, sliepen ze ook regelmatig met Frigg tot Odins terugkeer. Veel wetenschappers hebben geprobeerd een onderscheid te maken tussen Freya en Frigg door te beweren dat de eerste promiscue en minder standvastig is dan de laatste, maar deze verhalen suggereren iets anders.

Het woord voor ‘vrijdag’ in Germaanse talen (inclusief Engels ) is genoemd naar Frija, de Proto-Germaanse godin die de voormoeder is van Freya en Frigg. Geen van de andere Germaanse volkeren schijnt over Frija te hebben gesproken alsof zij twee godinnen was; deze benadering is uniek voor de Noorse bronnen. Het is dan ook geen verrassing dat we in de Noorse bronnen verwarring vinden over welke godin deze dag als naamgenoot zou moeten hebben. Zowel Freyjudagr (van Freyja) als Frjádagr (van Frigg) worden gebruikt.

De namen van de twee godinnen zijn in dit opzicht ook bijzonder interessant. Freyja, ‘Dame’, is eerder een titel dan een echte naam. Het is een verwant van het moderne Duitse woord Frau, dat op vrijwel dezelfde manier wordt gebruikt als de Engelse titel ‘mevrouw’. In de Vikingtijd werden Scandinavische en IJslandse aristocratische vrouwen soms freyjur genoemd, het meervoud van freyja. ‘Frigg’ komt ondertussen van een oude wortel die ‘geliefde’ betekent. Friggs naam verbindt haar daarom met liefde en verlangen, precies de gebieden van het leven waarover Freya heerst. Ook hier kunnen we de ultieme herleidbaarheid van beide godinnen tot elkaar onderscheiden: de naam is identiek aan de attributen van de ander, en de andere naam is een generieke titel in plaats van een unieke naam.

Het is dus duidelijk dat de twee uiteindelijk dezelfde godin zijn. Waarom worden ze dan als nominaal verschillend gepresenteerd in de laat-Oudnoorse bronnen? Helaas weet niemand het echt .

Op zoek naar meer geweldige informatie over de Noorse mythologie en religie? Hoewel deze site de ultieme online inleiding tot het onderwerp biedt, biedt mijn boek The Viking Spirit de ultieme inleiding tot de Noorse mythologie en religie. schreef ook een populaire lijst met De 10 beste Noorse mythologieboeken, die u waarschijnlijk nuttig zult vinden bij uw zoektocht.

Orel, Vladimir. 2003. A Handbook of Germaanse etymologie. P. 114.

Heide, Eldar.2006. S Seiðr. In Old Norse Religion in Long Term Perspectives: Origins, Changes and Interactions. Bewerkt door Anders Andrén, Kristina Jennbert en Catharina Raudvere. p. 166.

The Poetic Edda. Lokasenna, vers 29.

Snorri Sturluson. De Proza Edda. Skáldskaparmál 18-19.

Price, Neil S. 2002. The Viking Way: Religion and War in Late Iron Age Scandinavië. p. 279-328.

Tacitus, Cornelius. Germania 8.

Enright, Michael J. 1996. Dame met een Mead Cup: Ritual, Prophecy and Lordship in the European Warband van La Tène tot het Vikingtijdperk.

Ibid. p. 192.

Ibid. p. 66.

Snorri Sturluson. De Proza Edda. Gylfaginning 35.

Saxo Grammaticus. De geschiedenis van de Denen.

The Poetic Edda. Lokasenna, vers 26.

Snorri Sturluson. Ynglinga Saga 3. In Heimskringla: eða Sögur Noregs Konunga.

Zie bijvoorbeeld: Grimm, Jacob. 1882. Duitse mythologie, deel 1. Vertaald door James Steven Stallybrass. p. 302.

Ellis-Davidson, Hilda Roderick. 1964. Goden en mythen van Noord-Europa. p. 111.

Grimm, Jacob. 1882. Duitse mythologie, deel 1. Vertaald door James Steven Stallybrass. p. 300.

Orel, Vladimir. 2003. Een handboek van Germaanse etymologie. p. 114.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *